Historie

van de St. Martinuskerk Neer

Parochiekerk

De kerk is gesitueerd op een markant Maasterras in het centrum van Neer en domineert een overigens vrij open gebleven landelijke omgeving. De in 1910 gereed gekomen kerk werd gebouwd in neo-gotische stijl naar een ontwerp van architect C. Franssen (Roermond). Aannemers Derickx en Gooden voerden het werk uit voor f 48.550,–. Op dezelfde locatie hebben in de loop der eeuwen diverse parochiekerken gelegen. Het oudste relict daarvan vormt thans de kern van de torenvoet. Tegen de toren werd in de late Middeleeuwen een nieuwe kerk gebouwd, die in de negentiende eeuw ingrijpend werd gewijzigd en uitgebreid. Franssen liet voor de uitvoering van zijn plan deze oude kerk, met uitzondering van de torenpartij, slopen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft de kerk zwaar te lijden gehad. De originele glas-in-loodvensters sneuvelden en een groot deel van het zuidoostelijke koor en transept werd nieuw opgemetseld. Van de toren werden de klokkenverdieping en torenspits in 1944 door de Duitsers opgeblazen. De soberder herbouwde toren, naar een ontwerp van architect J. Franssen, dateert uit 1954.

Koorzijde. Foto: Luc Jakobs, mei 2006
Foto: Har Kuijpers, september 2006

Huidige kerk

De kerk ligt op het hoogste terras van het geterrasseerde Kerkplein in het centrum van Neer en wordt grotendeels van de directe omgeving afgescheiden middels rondom lopende bakstenen keermuren. In de keermuur bevindt zich aan de frontzijde (Kerkplein) een stenen trap met gebogen treden, aan één zijde ingelaten in een gebogen bakstenen boom en aan de andere zijde eindigend in de keermuur. Op de flankerende keermuur ezelsruggen en een smeedijzeren spijlenhek tussen bakstenen pijlertjes met bekronende dennenappel-motieven. Het betreft een georiënteerde driebeukige kruiskerk van het basilicale type, onder zadel-, lessenaar- en (omlopende) schilddaken, gedekt met leien in Maasdekking. Nokeinden van schip, koor en transepten licht afgewolfd en veelal bekroond met gestileerde kruisbloemen; nokeinde absis bekroond met een smeedijzeren kruis. In de dakschilden enkele dakkapellen onder aankappende, omlopende schilddakjes met overstek, bekroond met pironnen. Op de viering een dakruiter met naaldspits. In de noordoostelijke oksel van koor en transept bevindt zich een drielaagse sacristie onder een eveneens met leien in Maasdekking gedekt schilddak met gestileerde kruisbloemen op de nokeinden. Het gebouw is opgetrokken uit in kruisverband gemetselde baksteen met toepassing van geprofileerde rode verblendsteen rond gevelopeningen en blinde nissen en van hardsteen voor lijsten, voor afzaten en voor dekplaten op de versnijdingen van steunberen en portalen. Het exterieur wordt verder verlevendigd door de toepassing van gekoppelde bakstenen tandlijsten en siermetselwerk onder de bakgoten van schip, transept, koor, koorsluiting, zijbeuken en sacristie. De kerk bestaat uit een schip van twee traveeën met aansluitend portaal, een transept met rechtgesloten armen van één travee en een koor van één travee met een lager aangezette en iets inspringende 7/12 sluiting. Aan weerszijden van de koortravee bevinden zich de zij-altaren. De voorgevel heeft een driedelige opstand, bestaande uit een licht uitgebouwd portaal met wimberg -met in de top een vierpas en bekroond met een hardstenen kruis- waarboven een groep van drie klimmende lancetvensters en een tuitgevel met een klimmende reeks van zeven ondiepe spitsboognissen, waarin centraal een beeld van de H. Martinus onder baldakijn. Ter linkerzijde de grotendeels vernieuwde klokkentoren uit 1954. In de oude torenvoet met geblokte natuurstenen hoeklijsten bevindt zich een gevelsteen met inscriptie ‘Ano Dni MCCCCXLVII ipso die Egidii’ (‘in het jaar des Heeren 1447 op dezelfde dag van de H. Egidius’), die op de middeleeuwse herkomst duidt. In de oksel van voorgevel en toren rijst een zich verjongende contrefort op. Ter rechterzijde een deels ronde en deels octogonale traptoren met diverse vensters en een met leien gedekte torenhelm. Rechts van de gevel de voormalige tweelaags zij-ingang, thans Mariakapel, onder een aankappend schilddak met gestileerde kruisbloem op het nokeinde. In de kopgevel een lancetvenster met daarboven drie gekoppelde blinde spitsboognissen, in de rechter zijgevel drie gekoppelde lancetvensters boven de nog aanwezige deuren. In het schip en het koor heeft de lichtbeuk per travee een triplet van klimmende lancetten en heeft de zijbeuk twee door contreforten van elkaar gescheiden lancetvensters. Aan de schipzijde van de zijbeuken der transepten bevinden zich (deels jongere) zij-ingangen. De sluitingen van de transeptarmen worden geschraagd door contreforten en bezitten tripletten met klimmende vensters waarboven een reeks van zeven klimmende spitsboognissen. De absis heeft lancetvensters tussen hoog oprijzende contreforten. De sacristie, met hoeklisenen en waterlijsten, heeft rechtgesloten -deels van diefijzers voorziene- vensters onder hardstenen lateien.

Parochiekerk

Inwendig toont de kerk in materiaal een afwisseling tussen eenvoudige witgepleisterde muur- en gewelfvelden en schoon metselwerk. De vloeren van schip, transept en zijbeuken bestaan uit Naamse blauwsteen; de vloer van het priesterkoor uit polychrome cementtegels met geometrische en florale motieven. Schip, transept en koor zijn overwelfd met wit gepleisterde kruisribgewelven, de viering heeft een stergewelf. Franssen poogde met het ontwerp voor deze kerk een synthese te vinden tussen de basiliek en een centraalbouw. Behalve door het schip en transepten zijbeuken te geven poogde hij dit te bereiken door een bijzondere constructie van de zijbeukgewelven waarvan de gewelfvelden naar de middenbeuk toe omhoog lopen, in de richting van de punten van de scheibogen. Ook het rechthoekige portaal is overkluisd met ribgewelven. De wandopbouw van schip-, transept- en koortraveeën bestaat achtereenvolgens uit gekantonneerde, weinig spitse scheibogen; een zwarte sierlijst; een schijntriforium met drievoudig gekoppelde segmentbogen en de lichtbeuk met tripletten. De kruisribben rusten op bladkapiteeltjes van Savonièresteen, die overhoeks op de pijlers zijn aangebracht ter hoogte van de zwarte sierlijst. De kapiteeltjes worden geschraagd door ranke schalken van zwarte profielsteen. De gordelbogen komen direct voort uit de pijlers en rusten dus niet op kapitelen. In de rechtgesloten transepteinden en de absis rijzen de lancetten direct op vanaf de zwarte sierlijsten. Het portaal met bovengelegen oksaal is in 1997 gedeeltelijk gewijzigd. Het opent via twee rondbogen naar het middenschip. De bogen rusten in het midden op een gepolijste, zwarte natuurstenen zuil met bladkapiteel. Het oksaal, overkluisd met een kruisribgewelf, is uitgebouwd. Het vrij sobere interieur van de kerk wordt verlevendigd door een rijke en gaaf bewaard gebleven wettelijk beschermde inventaris, deels afkomstig uit andere kerken en deels neo-gotisch. Vermeldenswaard zijn onder andere: het hoofdaltaar (1917, gepolychromeerd hout en marmer, beeldhouwer onbekend, schilderingen A. Windhausen); het Jozef-altaar (1912, gepolychromeerd hout, beeld van Thissen en Zn.); het Maria-altaar (ca. 1920, gepolychromeerd hout); een eikenhouten preekstoel (XIXb); twee eikenhouten biechtstoelen (XIXa); kruiswegstaties (XXa, Windhausen uit Roermond) en enkele schilderijen (XVII tot XVIII); twee renaissance communiebanken (XVIIa, uit het klooster Keizersbosch); een houten Marianum (ca. 1525, Meester van Elsloo ?); vele gepolychromeerde houten beelden (van XVd tot XXa); diverse houten en koperen kruisbeelden en processiekruisen (XVIa tot XIXd); gebrandschilderde vensters in het koor en de transepten (1947, Max Weiss uit Roermond) en in de westgevel (van Charles Eyck); en het nieuwe kerkorgel (1981, Verschueren, afkomstig uit de St. Servaaskerk te Maastricht). Orgel en orgelkas zijn niet van waarde uit het oogpunt van monumentenzorg.

NB. De muurschildering van Maria Boodschap en Martinus aan weerszijden van de zijaltaren zijn in de periode december 1952 – februari 1953 aangebracht door François Mes.

De kerk is van algemeen belang. Het object heeft cultuurhistorische waarden als bijzondere uitdrukking van de ontwikkeling en emancipatie van het rooms-katholicisme in het begin van de twintigste eeuw. Daarnaast vanwege de historische continuïteit, aangezien het object een religieuze ontwikkeling continueert die zich op deze plek middels een gebouw voor de eredienst al eeuwenlang nadrukkelijk manifesteert. Verder is de kerk van belang voor de typologische ontwikkeling van dorpskerken in het Limburgs Peelgebied. Het object heeft architectuur- en kunsthistorische waarden vanwege het belang van het door Franssen toegepaste ontwerpprincipe voor de ontwikkelingsgeschiedenis van de neo-gotische kerkenbouw en vanwege de rijk geornamenteerde en kwalitatief hoogwaardige inventaris uit diverse Limburgse ateliers. Het object heeft ensemblewaarden als beeldbepalend onderdeel van de historische bebouwing aan het Kerkplein te Neer en is door de markante en dominante situering op een Maasterras (vooral in relatie tot de vrij open gebleven landelijke omgeving) van bijzondere betekenis voor het aanzien van het dorp. Het object is van belang wegens de gaafheid van de bewaard gebleven inventaris en zeldzaam wegens voornoemde stedenbouwkundige situering.

St.-Joseph-altaar. Foto: Har Kuijpers, september 2006

Aanvulling (bouw)geschiedenis

Al in de 12e eeuw lagen op de plek van de huidige kerk van Neer een kerk en een kerkhof. Bij archeologisch onderzoek uitgevoerd in 1999, bij de bouw van een parochiehuis met pastorie, werden o.a. funderingen met maaskeien en een boomkistbegraving aangetroffen. Ook vond men een wierookvat dat op zijn laatst uit de 12e eeuw dateert, maar dat waarschijnlijk nog ouder is. Aannemelijk is dat een eerste kerk hier al veel eerder is gesticht. In 1203, als de parochie voor het eerst opduikt in de geschriften, zijn de rechten van de kerkstichter, waaronder het recht om de pastoor voor te dragen, in handen van de abdis van Munsterbilzen. Deze abdis had ook rechten op diverse goederen in Neer en omgeving, waaronder de Bilzerhof, een aanzienlijke boerderij die direct achter de kerk lag, in de Steeg of in de Goot. De samenhang tussen Bilzerhof en kerk wijst erop dat de Neerse kerk in de Vroege-Middeleeuwen is gesticht door een grootgrondbezitter. Van de oudste kerken is bovengronds niets meer zichtbaar. Het oudste deel van de huidige kerk is de torenvoet. Deze is van buiten opgetrokken uit een groot formaat baksteen. De baksteen is gemetseld in Vlaams verband, met in elke laag afwisselend een strekkende steen en een kopse steen. Van binnen is de torenvoet opgetrokken uit mergelblokken. Dit alles wijst op een ontstaan in de periode 1350-1400. De wijdingssteen in de voet van de toren vermeldt het jaartal 1447 en wijst op de inwijding van een nieuwe kerk. Dit was een gotische, uit baksteen opgetrokken pseudo-basiliek van drie traveeën, met hardstenen pilaren met zogenaamde Maaskapitelen. Deze kerk werd in 1830 naar het oosten uitgebreid met één travee en een nieuw koor. In 1895 werd de zuidelijke zijbeuk gerestaureerd en voorzien van vensters en een ingangspartij in neogotische stijl. De gotische kerk met de uitbreiding van 1830 bleven staan tot 1909, toen zij werden gesloopt om plaats te maken voor de huidige kerk.

Klokken

In de toren van de Neerse kerk hangen vier klokken. De zwaarste en tevens de jongste is de Martinusklok uit 1985. Ze weegt ca. 2000 kg. Ze heeft als randschrift ‘MIJN NAAM IS MARTINUS. IK KLINK TOT GLORIE VAN DE HEER EN TER GEDACHTENIS AAN DE OORLOGSSLACHTOFFERS VAN NEER’. Ze werd gegoten bij Eijsbouts in Asten en is tevens oorlogsmonument. De op één na zwaarste klok is de Mariaklok uit 1954. Ze weegt ca. 1250 kg en heeft als randschrift ‘VIRGO SINE MACULA DEI PROPUGNACULA TUIS INTER PROELIA VENIANT AUXILIA’. Dit betekent ‘Onbevlekte Maagd, Voorvechtster van God, help ons in de strijd’. Ze werd gegoten bij Petit en Fritsen in Aarle-Rixtel, samen met de Jozefklok. Deze klok weegt ca. 875 kg en heeft als randschrift ‘H. JOZEF, PATROON DER H. KERK EN DER HUISGEZINNEN, B.V.O. 1954’. De lichtste klok heeft de naam Petrus Jacobus en weegt ca. 500 kg. Ze heeft als randschrift ‘AO 1963. Vocor Petrus Jacobus. SONO PIA VIVOS MONENS MORTUOS PLANGENS. Petit en Fritsen’. Dit betekent ‘Ik heet Petrus Jacobus. Ik laat een heilig geluid horen, de levenden roep ik, de doden beween ik’. Verder hangt er nog een klokje in het Angelustorentje, midden op de kerk. Dit klokje werd op 6 december 1946 besteld bij Eijsbouts in Asten. Het klokje, met een gewicht van ca. 90 kg, kreeg als randschrift ‘MARIA, REGINA PACIS, ORA PRO NOBIS. 17 NOV. 1944’. Dit betekent ‘Maria, Koningin van de vrede, bid voor ons’. De datum is die van de bevrijding van Neer.

Bron: kerkgebouwen-in-limbrug.nl

Hoe kunnen we u helpen?

Heeft u vragen, opmerkingen of wilt u meer informatie over een specifiek onderwerp? Neem dan contact met ons op.